Vandaag schrijf ik eens een combinatieverslag van de twee afgelopen dagen. Die kunnen mooi een keer samen, want over woensdag valt niet zoveel te zeggen. Het was een beetje een saaie, noodzakelijke reisdag. Toch zijn er wel wat leuke dingen over te vertellen.
Zoals bij de benzinepomp, waar wij al vroeg gingen tanken. Een medetanker vroeg ons waar we vandaan kwamen, en eigenlijk bleek dat vragen naar de bekende weg, want hij kwam zelf ook uit Nederland, maar dan wel 28 jaar geleden. Zoals ons al zo vaak is overkomen deze vakantie, ontspon zich een leuk, ontspannen en informatief gesprek. Als mensen je aanspreken, betekent dat aan de ene kant dat ze geïnteresseerd in je zijn, maar aan de andere kant ook dat zij graag willen vertellen waar zij vandaan komen.
In Bunbury vonden we een plek waar we ons weblog konden bijwerken. In een oude stationsrestauratie zaten we tussen een gemêleerde clientèle: een moeder die al om 10 uur aan de patat en kipkluifjes zat, een ongelooflijke machoman met een gedweeë Aziatische vrouw, een oudere dame die steeds door haar echtgenote werd gecorrigeerd en aboriginals die om de haverklap binnenkwamen voor wisselgeld. We wandelden wat door het centrum van het dorpje, maar echt gezellig was het niet: de winkels waren rechttoe rechtaan en de trottoirs breed. Op zich alle ingrediënten die normaal gesproken voor enige animositeit zorgen, maar het was hier te jong, te nieuw, te steriel, te leeg.
Gelukkig voor Yvonne konden we even de heerlijke geur van leer opsnuiven in Horseland, een winkel waar zij een hoed wilde kopen voor Rein, die op haar katten past. Daarna gingen we serieus op pad.
We reden door een aantal nationale parken maar ook door landbouwgebieden waarvan er enkelen werden besproeid. In Bunbury had men ons aangeraden om te lunchen in Mandurah, een gezellig plaatsje aan een grote inlet, een baai die door een nauwe doorgang met de zee verbonden is. Al ruim voor Mandurah reden we door grote wijken met allemaal nieuwe woningen. Allen groot en veel aan het water, maar met erg kleine tuintjes. Ik had het gevoel dat de wijken helemaal naar Amerikaans model waren neergezet: snel en clean, zonder enige fantasie. De namen van de wijken waren ook al Amerikaans: Florida Beach, Miami Harbor enzovoorts. Ik zou er niet willen wonen…
Het centrum van Mandurah lag inderdaad rondom het water. Talrijke restaurantjes keken uit over een brede groene strook met gras en bomen naar het water. Bij een van de restaurantjes namen we plaats op het terras en bestelden lunch. Vanaf de rand van het terras zaten meeuwen met grote interesse naar de vorderingen van de lunchers te kijken. Op het moment dat er een tafel vrij kwam (iedereen bestelt en
betaalt vooraf zodat je direct kunt weglopen als je klaar bent), vielen de meeuwen krijsend aan en schrokten alles snel op. Op een gegeven moment zaten er weer twee te bekvechten en restantpatat weg te werken toen er nieuwe klanten het terras op kwamen. De meeuwen vlogen op en moesten de nieuwkomers ontwijken, waardoor er een een andere luncher raakte die daarvan zo schrok dat hij gloeiend hete koffie over zijn broek gooide. Afgezien van de hitte in zijn kruis had de meeuw hem ook flink op zijn voorhoofd geraakt, want de man moest er constant aan wrijven.
Perth was nog 77 kilometer weg en op de kaart had ik al gekeken hoe we moesten rijden naar onze camping in Forrestfield. We waren dus blij dat we nog een plek gevonden hadden gezien de drukte met Pasen. We checkten in en toen we op onze overflow plek aankwamen (wel stroom maar geen water), zagen we Joe, de eigenaar. Joe zag mijn Guinness-shirt en vroeg waar ik vandaan kwam. Hij kwam uit Ierland en was gek op Guinness, wat ook wel een beetje te zien was. We stonden even te praten en toen riep hij naar een andere campinggast dat zij even moest komen. ‘You will have to meet her’ en tegen haar: ‘Annie, come talk Dutch!’ Annie kwam en was een en al woord: Engels-Australisch met een Brabants accent. Ze kwam ooit uit de omgeving van Boxtel en als zij Nederlands sprak, was dat nog met een onvervalste Brabantse tongval. Toen wij even later geïnstalleerd waren, kwam zij ons speculaasjes brengen. Ik had de stellige overtuiging dat wij haar nog wel vaker zouden zien.
Toen we in de schemer zaten te eten, kwam er een man een beetje verdwaasd en breed gebarend op ons afgelopen. Hij maakte ons duidelijk dat hij doof was en met een aantal andere doven reisde en dat het licht het in hun camper niet deed. In het donker is het moeilijk liplezen of gebarentalen… Yvonne en ik gingen kijken maar konden geen switch vinden die de oplossing zou brengen. Terwijl ik met hun camperverhuurder aan het bellen was, werd er ineens op een meest onlogische plek een switch gevonden en zagen wij het licht! Er werd die avond nog veel gepraat, maar niemand had er last van. Zij bleken een doven-bowlingteam te zijn dat meedeed aan de bowlingkampioenschappen voor doven in Perth.
Na het avondeten zaten we nog steeds buiten te lezen, toen Annie met haar man Albert kwamen aanlopen, twee tuinstoelen meeslepend. Annie had een plastic glas met kleurige papegaaien in de ene hand en de onafscheidelijke sigaret in de andere hand. Albert had zijn blikje beer in zijn koeler (stubby holder) en sleepte de stoelen met zich mee. Annie en Albert woonden al een tijd op deze camping en kenden iedereen die hier stond. Ongeveer de helft van de gasten staat hier min of meer permanent, omdat er hier in de omgeving werk genoeg is. Vooral de mijnen (goud, opaal, koper) zijn grote werkverschaffers. Alle gasten die langskwamen werden aangesproken en al snel leerden wij wat ‘regulars’ kennen. Mel uit Engeland die met zijn stretched Mercedes gasten vervoerde en iedere zin afwisselde met een ietwat belegen en voorspelbare grap, Tibor die bluspiloot was en gezien de komst van zijn vrouw binnenkort alvast zijn caravan aan het opruimen was (plastic zakken met lege flessen wijn en blikjes bier) en een aantal Duitse jongeren dat hier stond om geld te verdienen. Albert hoefde allang niet meer te werken, maar kon moeilijk stilzitten. Hij werkte nu als ontwerper van kledingkasten en had een van de Duitse jongeren een baan bezorgd als kledingkastenmonteur. Hij vertelde in een combinatie van onvervalst Australisch en Brabants wat men hier zo gemiddeld verdient. Dat wil je niet weten! Vanwege de mijnen is er moeilijk aan personeel te komen, dus de lonen liggen erg hoog. De wegwerkers, waarover ik een aantal dagen geleden nog schreef, de mannen die met een bord aangeven of je mag doorrijden of niet, tikken al snel 150.000 dollar per jaar binnen, met lagere belasting als bij ons. Veel vrouwen werken hier als chauffeur van waterwagens die de wegen nat houden: salaris ongeveer 200.000 dollar. Geeft je toch te denken over wat je in Nederland aan het doen bent. Toch is het niet zo heel makkelijk om in Australië te werken. Een bedrijf moet je uitnodigen en garant voor je staan en je moet het nodige kapitaal hebben om voor jezelf te zorgen en niet direct bij de Staat aan te hoeven kloppen.
Het was erg gezellig en ik moest af en toe ongelooflijk lachen om de combinatie van hun taalgebruik: ‘Da heddege toch never imagined dadda zou happenen…?’, ‘Man, I piss myself completely nat from laughing!’ Hoe meer Nederlands we spraken, hoe meer het Brabants terugkwam.
Maar de wetten van de camping zijn streng: om tien uur ’s avonds gaan de lichten uit en de mensen naar bed. Geen overlast van luidruchtige medekampeerders. Wij moesten trouwens ook naar bed, want vandaag zouden wij vroeg worden opgehaald om naar Rottnest Island te gaan. Om 6.50 uur zou de bus klaar staan, dus we moesten voor de tweede keer deze vakantie de wekker zetten…
Niet alle mensen op de camping zijn overigens van die feestnummers. Er loopt ook een aantal, zeg maar gerust, enorm saaie dozen rond. Die niet op of om kijken, die niet afwijken van de vaste wandelroute van en naar de douche. Er is hier een stel dat wij alleen nog maar met stapels wasgoed heen en weer hebben zien lopen. En ofschoon ze bijna over ons struikelen om bij het washok te komen, kan er geen groet of vriendelijk woord af. Zij heeft de broek aan, hij loopt een beetje als een sulletje met de wasmand in zijn handen achter haar aan. Als ik ooit zo word, zeg het me tijdig of schiet me neer…
Van woensdag op donderdag hebben we onrustig geslapen. Omdat we al om tien voor 7 zouden worden opgehaald om naar Rottnest Island te gaan, hadden we de wekker gezet. Maar je slaapt dan toch altijd anders. In ieder geval waren Yvonne en ik ruim voor het afgaan van de wekker wakker en stonden we, zoals aangeraden door Julie, de schattige dame achter de receptie met haar haar helaas te strak in een knotje maar met lachende ogen, ruim van te voren klaar. Maar wie of wat er ook kwam, geen busje van Rottnest Island Tours. Ik belde en kreeg een antwoordapparaat. Op zulke momenten ben ik blij dat ik een Australische telefoonkaart heb gekocht en dat er gratis nummers zijn. Onze campingbeheerder kwam er aan en die belde ook. Het bleek dat Island Tours vergeten was aan de chauffeur door te geven dat er vier mensen mee moesten in plaats van twee. Het betekende ook dat hij ruim voor tien voor 7 aanwezig was geweest, anders hadden wij hem zeker gezien! Op aanraden van de organisatie belden we een taxi en die reed ons door de ochtendspits ruim voor vertrek naar de ferry.
We stapten op bij het beginpunt van de Ferry, aan de rand van het centrum van Perth. De boot voer langzaam over Swan River richting Fremantle en ondertussen hadden we een prachtig uitzicht op de meer kapitaalkrachtige bevolking van Perth. Er stond hier een huis te koop met een marktwaarde van ongeveer 85 miljoen dollar. Het lag er ook wel mooi bij, moet ik zeggen.
De overtocht naar Rottnest Island verliep rustig. De Oceaan was als een spiegeltje zo glad en de zon stond strak aan de blauwe hemel. We boekten aan boord al een onderwatertour langs diverse koralen en wrakken voor de kust van Rottnest, ‘Rotty’, in de volksmond genoemd. Het leek erop of er nog een wrak zou bijkomen, want we waren getuige van een reddingsoperatie: een pleziervaartuig was tegen het
rif gelopen en was aan het zinken. Altijd spectaculair. Vanaf de boot zag Rotty eruit als een waddeneiland: duinen en niet al te veel begroeiing. Het verschil met bijvoorbeeld Texel is dat er op Rotty Quokka’s rondlopen. Quokka’s zijn kleine kangaroetjes die eigenlijk veel op een uit de kluiten gewassen rat lijken. Vandaar ook dat de Nederlanders die rond 1600 dit eiland ontdekten het eiland ‘Rattennest’ noemden.
De boot van de onderwatertour lag aan dezelfde steiger als waaraan de Ferry aanmeerde. We gingen aan boord en werden de buik van het schip ingeleid, waar we in een soort aquarium kwamen te zitten, met dien verstande dat het water aan de buitenkant was. Eerlijk gezegd viel de tocht een beetje tegen.
Gezien de gematigde temperatuur van het water, is het koraal hier niet zo uitgesproken in kleuren als de plaatjes die je van koraal in gedachten hebt. Geen felgekleurde vissen als bijvoorbeeld Nemo, maar grote vissen. Toch was het wel aardig, want op een gegeven moment werd er voer in het water gegooid en werden we omringd door haringen en een ander soort vissen, Buffalo Something… Joekels van vissen, maar niet geschikt voor consumptie. We voeren over de met koraal begroeide wrakken en keerden terug naar vasteland.
Thompson Bay is een klein dorpje met gele huizen waarin voornamelijk op bezoekers gerichte winkeltjes huizen: een supermarkt, een souvenirwinkel, een Subway en Red Rooster. Tussen de tientallen scholieren op schoolreisje, vissers en fietsers liepen wat quokka’s rond. Het zijn geen dieren die een erg energieke en slimme indruk maken. Ze schuifelen een beetje suffig tussen de benen van de mensen door, laten zich over hun hoofd krabben en eten een blaadje of alles wat ze kunnen vinden. Aangezien er niet al te veel regen gevallen was, hadden ze het niet erg gemakkelijk gehad.
We wandelden even door het dorpje (dat onder andere gediend heeft als gevangenis voor zowel blanken als aboriginals) en begaven ons naar de plek waar onze lunch geserveerd zou worden als onderdeel van onze dagtour. Het lopend buffet was in het restaurant van een motel en was prima verzorgd. We aten aan de rand van het zwembad en werden nauwlettend gadegeslagen door meeuwen. We lieten het echter niet zo ver komen.
In afwachting van onze tour over het eiland, wandelden we naar een van de 68 baaien van Rotty, aan alle kanten ingehaald door fietsers met lullige schuimplastic valhelmpjes. Daar wil je als Nederlander, die als het ware op de fiets geboren worden, nooit mee gezien worden… Bijna overal op het eiland kun je snorkelen. Als je over het water uitkijkt, zie je de buisjes van de snorkels boven water uitsteken.
De tour over het eiland was aardig, maar niet bijzonder. Eigenlijk vond ik het hele eiland niet heel erg bijzonder. Het was inderdaad een beetje een waddeneiland, met wat rotsen en iets andere begroeiing dan bij ons. De beloofde dolfijnen en zeehonden lieten zich ook niet zien en toen het nog begon te regenen, was er helemaal niets meer te zien. Toch was het wel de moeite waard. Maar tegen mensen die twijfelen of ze Rottnest Island gezien moeten hebben, zou ik zeggen: als je in tijdnood zit, ga gewoon een keer naar een van de waddeneilanden. Volgens mij krijg je eenzelfde ervaring en de quokka’s kun je erbij fantaseren.
Het busje stond klaar om ons naar het caravanpark te brengen. Ook andere bezoekers aan Rotty werden bij hun hotel afgezet en zo kregen we een aardige indruk van downtown Perth. Het lijkt een levendige en gezellige stad, met veel groen.
We kwamen in het pikkedonker aan. Blijkbaar was er ergens een stroomstoring, want alle lichten waren uit en de slagbomen van het park werkten ook niet. Het had hier blijkbaar hevig geregend, want in onze stoeltjes stond een aardig plasje water. Aangezien we behoorlijk moe waren, hadden we toch niet zo’n behoefte om buiten te zitten, dus na een snelle maaltijd vielen we bijna boven de tafel in slaap.